Concrete:Abstract = KAPKAR:TOFUD essay
by Jos Bosman

uit: Frank Havermans Architectural Constructions, NAi Publishers 2010

A prominent portion of Frank Havermans’ work takes the form of temporary installations in what are – generally – relatively isolated places and buildings. These installations are all site-specific, for they are associated with a particular location through perceptual motifs which articulate diverse variations on a potential concept of association, such as ‘coupling’, ‘attachment, ‘infiltration’, ‘relating’ and ‘entering into a dialogue’. Some installations appear to assume the role of the structural framework in a building. On closer examination, however, it is impossible to be sure how strong and secure these apparently supporting or load-bearing forms may actually be, for they seem to be cocked in the manner of a crossbow, with the capacity for discharge by the movement of some – probably – easily overlooked widget, thereby morphing into a pitiless instrument of torture. These objects, which engage the viewer in a poetic, oppressively intimidating, ‘exclusive’ relationship, contrast sharply with the majority of Havermans’ installations, which invite the visitor into a cuddly, ‘inclusive’ relationship. The latter are designed to encourage the viewer to linger awhile, providing mental breaks where the course of everyday life is briefly interrupted. With some of these installations you can simply stand inside, as is the case with KAPKAR/KSV 800, or consider the suggestion, represented by the seat in KAPKAR/HWR-L45, suspended high against the wall of a former factory building, that you might sit inside, if you could somehow manage to bridge a considerable distance. These examples do not furnish a ‘mental break experience’ but rather a cockpit experience from which the visitor is placed in the suggestion of an active space.

Four of Havermans’ sculptures articulate the function of a concrete living environment: KAPKAR/TS-1P, a raised concentration capsule with open sides, containing a lectern and a seat with a back; the kitchen and scullery in the extension to 23 Akkerstraat in Eindhoven; KAPKAR/TAW-BW-5860, a studio dwelling at ZIN, a centre for meaningful reflection on life and work in Vught, and KAPKAR/ZZW-220, a tree house. These four works literally express and realize the ambition of Havermans’ sculptures to become architecture. As one-on-one models they also invite visitors to read other installations as architectural schematics, thereby calling into question the logic of the ‘normal’ use of diagrams. The tension in the relationship of the various components is intensified through exaggeration: a funnel-shaped window heightens the perspective effects of a view, a dark, heavy colour gives additional emphasis to an archaic form, or conversely an airy, floating constellation, causing an installation to appear to be suspended instead of standing on the ground, although optically it almost stands on the ground. Havermans creates a charged relationship between the components through diagrams designating functions such as ‘supporting/connecting’. The result expresses a physical yearning (often coloured by melancholy) that the use of a specific material frequently endows with an experiential dimension and character which allow the visitor to experience the tension of the space.

Havermans produces scale models in which he incorporates all the relevant information, premises, principles, etcetera. He works through the structural problems of the projected installation in this model design phase, and personally checks every structural decision, conceived through the model, before testing susceptible components. The model and the tests are followed by the construction of the installation in sections which will only be assembled, like a puzzle, at the final location.

Havermans’ installations create the suggestive impression that permanent buildings could also be assembled with the same degree of pleasure, that such buildings could permanently convey the pleasure of this ‘model status’. The extension to 23 Akkerstraat in Eindhoven and the artist’s dwelling in Vught fulfil some of this promise: in addition to being ‘concrete’, in that they are designs which have been constructed, these spaces also appear to have been modelled and drawn, for they have been made by the hands of the artist, who has consciously deployed all the traces left by the process of making as part of the work’s expression.

Havermans shares with architect Wiel Arets the challenge of charging the heritage of modern architecture with a physical experience of space, just as the traces cited above succeed in adding a form of life ‘patina’ to a work. One element of Havermans’ and Arets’ affinity is a common reference: Aret’s publication in relation to the Maaskant Prize for Young Architects, which he received in 1989, was suggestively illustrated with drawings by Wendi Bakker (drawings also characterized by an appearance of patina), who was motivated by her ideal of tactile and refined construction to propose a building project for execution by artists rather than a contractor, and to invite Frank Havermans to join her in transforming an extension at 23 Akkerstraat in Eindhoven.

The drawings and models from Havermans’ TOFUD series (from 2006) take up the thread of the utopian studies produced by Constant Nieuwenhuys and Lebbeus Woods (Woods’ Hermitage installation in De Witte Dame in Eindhoven, autumn 1998, made a great impression on Havermans). In this series Havermans represents an inventiveness of form which he believes is naturally generated by hybrid combinations of infrastructure and building in contemporary mega-cities. He imagines that in the future these cities will increasingly resemble his TOFUD images. A connection between Havermans’ TOFUD and KAPKAR works can be discerned in their form of constructivism. However, the two series differ enormously in the way in which they have been conceived and made: the KAPKAR works engage in a one-to-one relationship with a location, while the TOFUD works give expression to complex relations. On the subject of difference these two ‘categories’ clearly represent two entirely disparate forms of engagement: KAPKAR is about making concrete specific concepts such as tension, structure, connection and material, while TOFUD is concerned with abstract, global thinking through the aid of interpretative instruments: a kind of thinking which allows the grand gesture to prevail over the examination of spatial and material decisions on a scale of immediate vicinity. Concrete : abstract = KAPKAR : TOFUD.

from: Frank Havermans Architectural Constructions, NAi Publishers 2010


Concreet : abstract = KAPKAR : TOFUD

door Jos Bosman

Een prominent deel van het werk van Frank Havermans manifesteert zich in de vorm van tijdelijke installaties in doorgaans relatief afgelegen plaatsen en gebouwen. Het zijn stuk voor stuk plaatsgebonden installaties, die zich hechten aan een specifieke locatie via perceptuele motieven die diverse variaties op een mogelijke idee van hechting articuleren, zoals ‘koppeling’, ‘vastmaken’, ‘infiltreren’, ‘relateren’, ‘een dialoog aangaan’. Sommige installaties lijken de rol van de constructie in een gebouw op zich te nemen. Bij nadere bestudering ben je niet zeker bent hoe sterk en zeker de ogenschijnlijke steun- of draagvorm is, omdat deze op de manier van een kruisboog opgespannen lijkt te staan, die zich zou kunnen ontladen met de beweging van een wellicht gemakkelijk over het hoofd te zien heveldeel om in een meedogenloos martelapparaat te veranderen. In tegenstelling tot deze objecten, die een poëtische, broeierig-bedreigende ‘exclusieve’ relatie met de beschouwer aangaan, nodigen de meeste installaties de beschouwer uit tot een aaibare, ‘inclusieve’ relatie, en zijn ze bedoeld om er tijdelijk in te verwijlen. Het zijn mentale haltes, waarin de gang van het alledaagse voor een moment wordt onderbroken. Soms kun je er alleen maar in staan, zoals in KAPKAR/KSV 800, of wordt gesuggereerd dat je, na overbrugging van een behoorlijke afstand, er in zou kunnen zitten, zoals de zitplaats in KAPKAR/HWR-L45, hoog hangend tegen de wand van een voormalig fabrieksgebouw. In deze voorbeelden is er geen sprake van een ‘halte-ervaring’, maar eerder van een cockpit-ervaring van waaruit de bezoeker in de suggestie van een actieve ruimte wordt geplaatst.

Vier sculpturen articuleren de functie van een concrete woonomgeving: KAPKAR/TS-1P, een boven de vloer opgeheven concentratiecapsule met open zijkanten, met daarin vervat een lessenaar en een zitvlak met rugleuning; de keuken en bijkeuken in de aanbouw van de Akkerstraat 23 te Eindhoven; KAPKAR/TAW-BW-5860, een atelierwoning op het terrein van ZIN, het bezinningsoord voor werk en zingeving te Vught; en KAPKAR/ZZW-220, een boomhut. De ambitie van Havermans’ sculpturen om architectuur te willen worden, is via deze voorbeelden letterlijk uitgesproken en gerealiseerd. Deze een-op-een-modellen nodigen ertoe uit om ook de andere installaties als beeldschema’s van architectuur te lezen. Daarbij wordt de logica van het ‘normale’ gebruik van het schema kritisch aan de orde gesteld. De spanning van de manier waarop onderdelen zich tot elkaar verhouden, wordt vergroot door middel van overdrijving: versterkte perspectivische effecten van uitzicht via een raam in trechtervorm, een zware donkere kleur waarmee een archaïsche vorm extra benadrukt wordt, of juist een vederlichte zwevende constellatie, waarbij het geheel hangt in plaats van op de grond staat, terwijl het optisch bijna op de grond staat. Een geladen verhouding van de delen ten opzichte van elkaar wordt via schema’s als ‘steunen/verbinden’ bereikt. Uit het resultaat spreekt een fysiek (vaak door melancholie gekleurd) verlangen, dat via de toepassing van een specifiek materiaal een ervaringsdimensie en karakter aanneemt die de ruimte als spanning beleefbaar maken.

Alle gegevens, uitgangspunten, principes, et cetera, blijken al in het schaalmodel te zitten dat Havermans vooraf maakt. In het model heeft hij alle constructieve problemen van de te bouwen installatie al in de fase van het ontwerp integraal beredeneerd. Elke constructieve overweging controleert Havermans zelf, nadat hij deze via het model als concept heeft bedacht om ze vervolgens op gevoelige onderdelen uit te testen. Na het model en de proeven volgt de realisatie van de installatie in onderdelen, die pas op de locatie van de te realiseren installatie als een puzzel in elkaar wordt gepast.

Er ontstaat via Havermans’ installaties de suggestieve indruk dat ook permanente gebouwen met hetzelfde plezier te maken zouden kunnen zijn, en dat die gebouwen dat plezier van een ‘modelstatus’ voor altijd zouden kunnen doorgeven. Iets van die belofte lossen de aanbouw in de Akkerstraat te Eindhoven en de kunstenaarswoning te Vught al in. Behalve ‘concreet’, als gebouwd ontwerp, zien deze ruimten er tevens uit als geboetseerd en getekend, want gerealiseerd door de handen van de kunstenaar, waarbij alle sporen die er bij het maken zijn ontstaan bewust als deel van de uitdrukking zijn ingezet.

Met architect Wiel Arets deelt Havermans de uitdaging om de erfenis van de moderne architectuur op te laden met een lichamelijk-ruimtelijke beleving, zoals de genoemde sporen er een vorm van geleefd ‘patina’ aan toe weten te voegen. De verwantschap kent een gemeenschappelijke referentie, omdat de verbeelding van Arets’ architectuurvoorstelling ten tijde van de Maaskantprijs voor Jonge Architecten, die hij in 1989 ontving, suggestief werd geïllustreerd met behulp van de tekeningen die Wendi Bakker voor hem maakte, die eveneens door een indruk van patina gekenmerkt worden. En het is dezelfde kunstenares die vanuit haar ideaal van een tactiele en verfijnde uitvoering van het bouwen in plaats van met een aannemer samen met kunstenaars een verbouwing wenste uit te voeren, en daarom Frank Havermans uitnodigde om met haar een aanbouw van de Akkerstraat 23 te Eindhoven te transformeren.

De tekeningen en de maquettes uit de TOFUD-reeks (vanaf 2006) nemen de draad op van de utopische studies van Constant Nieuwenhuis en Lebbeus Woods (Woods’ installatie Hermitage in De Witte Dame in Eindhoven, najaar 1998, maakte grote indruk op Havermans). Havermans verbeeldt hierin een vorm-vindingstendens die volgens hem als vanzelf door hybride combinaties van infrastructuur en bebouwing in bestaande megasteden wordt voortgebracht. Hij stelt zich voor dat deze steden in de toekomst nog veel sterker op zijn TOFUD-beelden gaan lijken. In hun vorm van constructivisme valt er een verwantschap te bespeuren tussen de TOFUD- en de KAPKAR-objecten. In de manier waarop ze gemaakt en gedacht zijn, verschillen ze enorm van elkaar: KAPKAR-objecten gaan een een-op-eenrelatie aan met een locatie, terwijl TOFUD-objecten uitdrukking geven aan complexe relaties. Op dat punt van het verschil aangekomen, wordt het duidelijk dat de twee ‘categorieën’ twee geheel verschillende vormen van engagement verbeelden: KAPKAR gaat over concreet maken op basis van specifieke concepten betreffende spanning, constructie, verbinding en materiaal, terwijl TOFUD gaat over abstract globaal denken met behulp van interpretatie-instrumenten, een manier van denken die het grote gebaar laat prevaleren boven het controleren van ruimtelijke en materiële beslissingen op de schaal van de onmiddellijke nabijheid. Concreet : abstract = KAPKAR : TOFUD.

uit: Frank Havermans Architectural Constructions, NAi Publishers 2010